Jaren 30 op de Boersberg
Een enkel bemost fundament in de bossen. Meer is er niet over van het eeuwenoude dorp dat bij kasteel Doorwerth hoorde. De Slag om Arnhem luidde het einde in van deze tot de verbeelding sprekende leefgemeenschap. In deze serie halen vroegere bewoners herinneringen op aan hun verdwenen dorp.
Deel 1: Jan Schouten over het leven van toen.
Jan Schouten legt een stapel documenten en een dikke map op de keukentafel. Bovenop ligt een vergeelde foto. Wie enigszins bekend is in de omgeving, herkent de verijsde slotgracht van kasteel Doorwerth. Een sliert schaatsende tieners vormt een treintje; de lol spat eraf. Naast de foto ligt een oude kadastrale kaart waar de vroegere huisjes op ingetekend staan. Schouten wijst ze één voor één aan: Willemse, het Tolhuis, E. van de Born, Lodewijk, Jansen, Van Deelen, Nab, Herberg de Zalmen, D. van de Born, Van Galen, de graanschuur, Van Grol, het Jagershuis en het theehuis. “Het was zo’n mooie nederzetting, al die huisjes bij elkaar. In het Jagershuis woonde Driessen, de directeur van Driessen de chocoladefabrikant. Als jongens noemden we zijn huis het chocoladehuisje. Veel vroeger had je hier ook het Violenhuis en de Orangerie. Waar de naam Violenhuis vandaan komt? Het was van voor zeventienhonderdzoveel. Zo ver kan ik niet terug in de tijd."
'Dagen en vlagen' Schouten woont zijn hele leven al in de boerderij bovenop de Boersberg, op een steenworp afstand van het vroegere dorp.”Het was nou niet echt een dorpskern hoor. Je had er een bakker en De Zalmen: een cafe-restaurant dat ook hotel was. Er woonde een hele hoop mensen in boerderijtjes. Die hadden dan 10 tot 15 koeien, ze hadden wat varkens, wat kippen en wat land. Daar teelden ze aardappels, bieten en haver. Dan woonde er ook nog personeel van het kasteel. Dat zat in de burgerwoningen; een jachtopzichter, een houtvester enzovoorts. Voor de oorlog kon lang niet iedereen vakantie nemen. Kasteelbezoek kwam bij ´dagen en vlagen´. De bezoekers waren gepensioneerd of hadden anderszins weinig om handen. Ze kwamen wandelend of fietsend, ook werden ze wel met paard en wagen gebracht.” Twee vingers en een duim
Schouten schetst een rustig beeld van het dorp aan de Fonteinallee. Voor september ‘44 kregen de dorpsbewoners weinig mee van de Duitse bezetting. Het leven was er eenvoudig, ondanks de oorlog waren er gelukkige momenten. “Je kende elkaar allemaal. ’s Winters sleetje rijden, de Boersberg af. Dan kwamen al die kinderen omhoog; hierheen. Soms waren we wel met 40 man. Dat zijn mooie en leuke herinneringen. Je praatte met elkaar, de kinderen speelden samen. Maar daar hield het dan ook mee op. Men ging niet met z’n allen ’s avonds naar Herberg de Zalmen, om daar te gaan zitten borrelen. Ben je nou mal. Deden ze niet! En wie ging er nou vroeger buitenshuis eten? Dat was alleen voor de rijkelui. Die waren in pension bij de Zalmen. Bij Gerard Spronse, de beheerder. Een gezette kerel met een snor. Als hij mensen bier kwam brengen, dan nam hij in één hand drie glazen mee. Twee vingers en een duim erin.
In de steenfabriek werkten zo’n 70 man. Die mensen kwamen vanuit Renkum met de fiets, vanuit de Betuwe namen ze het pontje. Aan onze kant hing een grote bel aan de oever. Als je die bel luidde dan kwam de veerbaas -die aan de overkant van de rivier woonde-, je ophalen. Het was een grote roeiboot, je kon er met een man of zes in. Tegen betaling van 5, misschien 10 cent. Telefoons waren er nog nauwelijks. De communicatie ging dan ook heel anders dan tegenwoordig. Wanneer er iemand overleden was, dan had je een aanzegger. Die man ging van huis naar huis, en vertelde wie er overleden was. Waar de begrafenisstoet langskwam daar waren de luiken dicht. Wanneer je één luik sloot dan had je niet zoveel contact met die mensen. Deed je ze allebei dicht dan kende je ze goed of was het naaste familie. Die tijden waren heel anders. Je had op het kasteel een baron zitten, baron Van Brakell, en daar werd gruwelijk tegenop gekeken. Maar ja, ze waren er dan ook van afhankelijk.
De jonker De laatste Van Brakell die hier gewoond heeft was de jonker, de kleinzoon van de oude baron. Die jonker heb ik nog gekend. Hij lustte vreselijk graag een stevige borrel en deed nog wel eens gekke dingen. Er is een verhaal dat er eens iemand bij hem kwam die net een nieuwe auto had gekocht; een T-Ford. Ze stonden bij de pony’s te kijken met onderhand een goede borrel op. De jonker zei: mooie auto, jij mag de pony voor niks meenemen, maar dan moet je hem achterin de auto stoppen. Toen hebben ze de auto aan de ene kant opengedaan en de pony erin gedouwd. Die man is er toen mee gaan rijden. Zulk soort rare dingen gebeuren. Maar dat zijn verhalen, die heb je van overlevering, of ze honderd procent waar zijn dat weet ik niet.”
|


